Archief van
Categorie: Korte verhalen

~* Dinsdagverhaal – Door het hek *~

~* Dinsdagverhaal – Door het hek *~

~* Dinsdagverhaal – Door het hek *

‘Mama, mogen we op het dak spelen?’
Ik hoor het haar nog vragen. Voor je nu stopt met lezen omdat dit over een overleden kind lijkt te gaan, niet doen. Het is groter dan dat. Vreemder.
Misschien moest ik niet verbaasd zijn dat iets dergelijks me overkwam. Het was het grootste horrorcliché dat je kan voorstellen. Gezin erft een groot huis dat nodig aan opknappen toe is. Eigenlijk staan ze op het punt uit elkaar te gaan maar na de taak van opknappen gestart te zijn, is er geen geld meer voor. En dus zitten we daar.
De kinderen? Die vonden het fantastisch. Na ons piepkleine appartementje waar ze een kamer deelden, hadden ze nu een balzaal voor zichzelf. De grond rondom het huis nodigde uit tot buitenspelen en uiteraard kwam er een hond.
Dit is misschien een punt waar het cliché afwijkt. Het was niet de hond die het eerst iets merkte. Niemand merkte iets, eigenlijk. Afgezien van de eerder genoemde punten, ging het eigenlijk redelijk. Zelfs onze relatie vond in die verbouwing, geheel tegen verwachting in, weer nut.
Het begon dus met spelen op dat dak. Voor je mij een ontaarde moeder vindt omdat ik mijn kinderen dat liet doen wil ik je graag de situatie schetsen. Vanuit de zolder kon je door het raam een stuk plat dak op. Dit klinkt onverantwoord, ware het niet dat het hele terrein daarboven afgezet was met een hek. Dit vervaarlijk ogend stuk metaal hield ze veilig. Ze waren nog te klein om er overheen te kunnen klimmen, maar al groot genoeg om niet tussen de spijlen door te kunnen. Letterlijk. Ze konden er net aan tot de onderarm doorheen en daarna zaten ze stevig klem. Dat wist ik zeker, gezien ik ze al meerdere keren moest komen redden. Maar dat dak, waarmee je over het land en de bossen uitkeek, had een ongekende aantrekkingskracht en het klemzitten namen ze voor lief. Ik liet ze dus. Tot de jongste die bewuste dag naar beneden kwam. Haar gezicht was lijkbleek en haar ogen zo groot dat ik dacht dat er iets afschuwelijks was gebeurd. Dat was ook zo, maar niet wat ik verwachtte.
Ik rende al naar boven voor ze wat kon zeggen. De deur sloeg dramatisch open en het dak was… leeg. Tina was nergens te bekennen. Ik rende naar de randen, haalde mijn handen open aan de punten waar ik wel bij kon en staarde over de daken, zoekend naar wat de jongste gezien kon hebben, waar mijn oudste was. Er was niets. Geen lichaam te zien, geen blond haar of een knalroze trui die ze op dat moment droeg. Ik draaide me om naar Anja, naar haar bleke gezichtje en trillende mond.
‘Waar is Tina?’
Ze schudde haar hoofd. Ze had geen flauw idee, vertelde ze. Even had ze zich omgedraaid, het opstapje van de deur gebruikend om haar veter te strikken en toen ze omdraaide was haar zus weg. Ergens verdwenen op die compleet lege vlakte met een hek waar ze niet overheen en niet onderdoor konden.
Vanaf die dag bleef de deur naar het dak op slot. We keken uit alle ramen, zochten overal rondom het huis. We zochten tot in het bos, al kon ze zelfs als ze wel over het hek geklommen was, gevallen en gerold, nooit zover gekomen zijn.
Is het verhaal dat niet over het overleden kind gaat er dan een over een vermist kind dat nooit terug kwam? Nee, ook dat is het niet. Drie jaar na het gebeuren waren we in een pretpark, niet ver van ons huis. Anja wilde er graag naar toe voor haar verjaardag. Het was vroeger het favoriete uitje van Tanja. Anja had er afgelopen jaren niets over willen horen maar vandaag, uitgerekend vandaag, wilde ze er persé naar toe. Alsof ze het wist.
We waren het park nog niet in toen ze me aan mijn mouw trok, zo hard dat ik al op het punt stond haar een standje te geven. Waarschijnlijk had ik dat ook gedaan, als ik dat gezicht niet meteen herkend had. Weer zo bleek, die ogen zo groot. Ze wees met een trillende vinger en ik keek. Zelfs van de achterkant herkende ik het blonde haar meteen. De roze trui was een andere, maar het stond haar nog net zo goed. Mijn hart bonsde in mijn borst, mijn keel, mijn hoofd. Het is een ander kind, hield ik mezelf voor. Het is de standaard vergissing. Dadelijk draait ze zich om en is het compleet iemand anders.
Maar dat was niet zo. Het was mijn kind. Mijn Tina. De zus van Anja. Ze draaide zich om en keek me aan. Ik hield mijn adem in. Heel even keek ze naar me. Ze hield kort mijn blik vast en gaf me toen, zo afstandelijk als alleen een vreemde kan, een half glimlachje. Daarna draaide ze zich weer om en begon een amicaal gesprek met de vrouw die naast haar stond en een arm om haar heen sloeg. Een vrouw op wie ze als twee druppels water leek. Ik snapte er niets van. Daarna heb ik haar nooit meer gezien. Maar ik geef niet op.
Ik zal haar vinden.

~* Dinsdagverhaal – Klam *~

~* Dinsdagverhaal – Klam *~

Mijn huid voelde klam van het vochtige buiten. De ochtend hing nog in de lucht. Wat me zo vroeg wekte wist ik niet, maar alles in mij schreeuwde om vrijheid.
Mijn behoefte aan ruimte vormde zich naar de omgeving waar ik mij bevond. In mijn kleine bed mocht je zo dichtbij zijn als je wilde. Hoe groter en wijder de wereld om me heen werd, hoe verder weg ik wilde dat je was.
Ik dwaalde lang over de bergen, door de bossen. Dat deed ik alleen. Ik dacht aan jou, nog steeds in dat kleine bed. Je sliep altijd langer dan ik, dieper ook. Je haren in een strakke vlecht zodat ik ze niet telkens uit mijn gezicht hoefde te wrijven als je onrustig tussen de dekens woelde. Zelfs daar kon ik je nu niet hebben. En nog steeds wist ik niet waarom. Er knaagde iets in mijn buik. Er knelde iets. Iets aan ons zijn klopte niet meer en ik kon er de vinger niet opleggen.
Hoe kon ik ineens wakker worden en niet opgaan in het uitzicht van je gesloten ogen met lange wimpers? Waar verdween plotseling de aandrang tegen je aan te kruipen tot jij ook wakker werd? Waarom leek de hele wereld, die bol met zijn bossen en bergen, ineens te klein voor ons samen? Ik snakte er naar bij je weg te zijn, zo ver ik kon.
Ik liep, kneusde mos onder mijn blote voeten, vloekte als ik op takken stapte, maar stoppen deed ik niet. Zelfs toen de weg voor mij ophield, ik uitkeek op water zo ver onder me waar wij al die zomers zwommen tot we besloten meer te zijn dan enkel vrienden, stopte ik niet. Ik greep het. Terwijl dat tafereel voor me opdoemde versnelde ik mijn pas. Ik negeerde de steentjes onder mijn voeten, rende. Ik vloekte niet meer om scherpe takken. Ik nam afscheid van jou terwijl je het niet wist. Ik rende, zette me af en dook de onvoorspelbare diepte in.

Inspiratiezin uit: Ivan Toergenjev – Eerste Liefde

Ik dwaalde lang over de bergen, door de bossen

~* Dinsdagverhaal – Hartslag *~

~* Dinsdagverhaal – Hartslag *~

Zij was mijn warmste herinnering. Een waar ik puzzelstukjes van miste. Al zeven jaar had ik haar niet gezien en toch werd ik telkens overvallen door die gedachte.
Wat ik in haar ogen was wist ik niet. Misschien dacht zij ook van tijd tot tijd aan mij, was ik een flinter in haar onverwachte dromen zoals zij in de mijne. Misschien wist ze mijn naam niet meer, of de kleur van mijn ogen. Die van haar wist ik nog wel. Blauw. Het felste blauw wat ik ooit zag.
Of ik verliefd op haar was wist ik niet. Het speelde op dat moment niet in mijn hoofd. Naar mijn hart luisteren had ik nog niet geleerd, zeker niet bij haar. Wat ik wel wist, was dat die ene, korte knuffel die we ooit deelden de reden van die warme herinnering was.
Het was niet voor mij, niet persoonlijk. Het was een feest, een afscheid en we kenden elkaar nauwelijks. Maar zij knuffelden elkaar en dus, toen wij plots tegenover elkaar stonden, wij ook. Onhandig, twijfelend. De een begon met een hand, de ander met een kus op de wang en ineens duwde zich dat tot een omhelzing. Een aanraking van lichamen en ledematen, gepast kort, niet te stevig. Ik knuffelde haar.
Dat is alles wat die herinnering nu nog was. Ik knuffelde haar. We raakten elkaar aan. Een feit, aanwezige kennis. De details ontbraken. Het kwam zo abrupt dat ik geen tijd had mijn besef te sturen.
Toen we weer loslieten, ik wegliep in de realisaties dat onze lichamen elkaar geraakt hadden, was er niet meer dan dat. Hoeveel ik er later ook over nadacht, meer kwam er niet.
Had ik haar hartslag tegen mijn borst gevoeld? Haar borsten tegen mijn borst? Had ik, toen mijn neus zo vlak bij haar hals was, ingeademd om haar zoete parfum in mij op te slaan? Ik had een vage herinnering aan hoe mijn hand op haar rug voelde. Haar handen op de mijne leken niet te bestaan. Hadden onze oren elkaar geraakt? Onze wangen? Keek ze me aan na de knuffel? Liep zij het eerste weg of deed ik dat?
Ik wist het niet meer. Zelfs nu, zoveel jaren later, hoopte ik me plots iets te herinneren. Dat ze bloosde toen ze me losliet, wellicht. Dat haar hartslag in haar hals tegen mijn schouder drukte. Dat ze haar hand even op mijn rug liet rusten voor ze me weer losliet. Maar dat was er niet. Ik moest het doen met een feit. Alsof iemand me vertelde dat het gebeurd was, zonder dat ik er zelf bij was.
Dat. Die kleine, incomplete puzzel was mijn warmste herinnering. Hoe treurig was dat.

~* Dinsdagverhaal – De smaak van as op water *~

~* Dinsdagverhaal – De smaak van as op water *~

Hijgend klauwde hij zich een weg naar buiten uit de zinderende massa. Zijn longen brandden, zijn mond was overgenomen door een wolk van grijs. Er daalde dikke druppels op hem neer van wat er ook nog boven hem was, vergaan maar geblust. Het deed hels zeer op zijn hete huid.
Handen grepen zijn gebutste armen en trokken. Zijn been bleef steken achter iets zwaars, iets scherps. Hij schreeuwde het uit, kwam los en viel op de grond. De lucht boven hem was een afwisselende vlek van fel licht en dikke rookwolken. Nog meer handen, kundig en voorzichtig. Er was onverwachte koelde waar de gescheurde kleding van zijn lichaam werd genomen, prikken waar wonden werden verzorgd. Zijn hoofd bonsde, de wereld om hem heen was nog nooit zo onscherp geweest. Zijn lippen vormden zich tot klankloze woorden. Enkel een rauwe rasp, een volgend hijgen ontsnapte zijn lichaam. Met het laatste beetje kracht dat hij leek te hebben probeerde hij overeind te komen. Handen, teder maar dwingend, duwden hem terug terwijl de nog steeds kundige over zijn lichaam gleden.
‘Clau… Claudia.’
Was dat zijn stem die hij hoorde? Dat raspende, alsof ook daar de as hem overnam?
‘Claudia!’ Weer probeerde hij overeind te komen en weer werd hij terug gedrukt. Het ritueel herhaalde zich nog een aantal maal tot hij geen puf meer vond in zijn met zwart bespikkelde lichaam. Het duizelde hem. Hij wilde slapen, maar hij wilde ook wakker blijven tot hij ze gevonden had.
Plots leken ze klaar met hem. Hij werd overeind gezet. Hij werd verplaatst en gestut tegen een busje toen bleek dat hij niet op eigen krachten overeind bleef zitten. Hij was in een deken gewikkeld. Zijn keel brandde nog steeds maar hoesten lukte niet. Zijn tong voelde walgelijk.
Het water dat ze voorzichtig in zijn mond goten droeg de smaak van as, evenals het brood dat ze hem in de handen drukte. Toch kauwde hij, dronk hij, slikte hij. Het ging ijselijk langzaam. Iedere hap kostte hem minuten. Zijn kaken waren zo zwaar. Zo moe. En tegelijkertijd had hij zo’n vreselijke dorst. Dus at hij. En dronk hij. Zo lang dat duurde.
In een helder moment tussen het bonzen in zijn hoofd, kwam het besef dat de as op zijn tong niet enkel dat van hout en behang was. Van vergane meubels en herinneringen. Zij die niet gevonden waren, wiens verkoolde lichamen zich mengden in het grijs dat door de lucht zwierde in de slierten van rook, plakten hier op zijn lichaam en zijn handen. Ze zwierven in zijn longen. Had hij ze samen met het water en brood doorgeslikt? Hij kokhalsde. Nog eens. Het weinige water en brood dat hij binnen had gekregen, vond weer een weg naar buiten. Ook dat, grijs. Grauw. Overgenomen door de puinhoop om hem heen.
‘Claudia.’
Hij kokhalsde nog eens. Spuugde. De vingers van zijn trillende hand grepen naar afwisselend naar zijn keel en het uitgekotste hoopje op de grond.
‘Claudia!’
Hij greep er in, alsof hij daarmee de illusie kon wekken dat van alles wat verbrandde en tot as vervloog, hen niet had meegenomen. Nogmaals kokhalsde hij. De ijzige paniek die zich in hem naar boven werkte, was zoveel heviger dan toen hij niet lang geleden de auto parkeerde aan het einde van de straat, tegengehouden door mannen in uniform. Het viel hem zwaarder dan die ellenlange weg naar het huis toen hij onder armen door glipte en zijn weg door de massa toeschouwers baande. Het was heviger, kouder dan wat hij voelde toen hij langs iedereen heen naar binnenrende, de oorverdovende vlammen trotserend. Nee. Hier, het zwart op zijn tong en het brood op de grond, het besef dat hij wellicht doorslikte wat hij wilde redden, liet hem duizelen. Misselijk was niet eens meer het juiste woord. Hij voelde… Hij was…
‘Claudia…’

~* Dinsdagverhaal – Ogenloos *~

~* Dinsdagverhaal – Ogenloos *~

Als kind had ik al een hekel aan posters en foto’s aan de muur. Hoe wist je ooit zeker dat ze niet stiekem met je meekijken? Dat piepkleine zwart van geprinte pupillen kon net zo goed de doorgang naar een spionagekamer zijn. Wie mij dan in de gaten moest houden? Geen flauw idee. Ik was een onbeduidend kind in een onbeduidend dorp. Niemand had er wat aan mij te bestuderen want het spannendste aan mijn leven was het feit dat één van mijn voortanden precies in het midden stond, zoals bij die ene acteur waar ik eigenlijk een hekel aan had.
Mijn muren waren dan ook spiegelglad in lichtgrijs. Wit was te fel, dan hield ik de gordijnen dicht om te zorgen dat er geen spatje zon het kon verhelderen tot een oogverblindende massa.
Het verbaast je vast niet dat het niet bij alleen die muren bleef.
Toen ik bij mijn ouders woonde stonden er nog foto’s op de kasten, lagen er dikke stapels fotoboeken op en onder de koffietafel. Sommigen waren nog niet klaar, anderen werden zo nu en dan opengeslagen. Dan werd ik bewonderd als baby, werd de herinnering aan een bijzonder mooie waterval aangehaald of was er een frons, een verbaasd afvragen wie die persoon op de foto ook alweer was.
Dat veranderde zodra ik het huis uit ging. Uit al haar goedbedoelde liefde gaf mijn moeder me een deel van de fotoboeken en de lijstjes mee. De boeken kwamen hun verhuisdoos nooit uit. De lijstjes stonden even op een nog lege plank in mijn boekenkast, tot ze een voor een omgedraaid werden zodat ik naar de achterkant keek. Uiteindelijk moesten ze plaats maken voor daadwerkelijke boeken en nam ik de moeite niet meer ze ergens anders neer te zetten. Ze belandden in de doos, bovenop de verwaarloosde albums.
Zo vormde ook dit huis zich er tot een waar geen herkenbaar gezicht, geen oog, iris of pupil te vinden was, behalve dat van mij als ik in de spiegel keek. Ik was van overtuigd dat niemand de moeite had genomen een cameraatje in mijn eigen ogen te plaatsen, dus dat vertrouwde ik wel.
Mijn muren bleven grijs en kaal.
Ik hoor je denken, er is toch genoeg abstracte kunst? Stillevens? Dat klopt en dat was misschien een mogelijkheid geweest. Maar als je eenmaal aan de kalmte van een lege muur bent gewend, is het bijzonder lastig die eenheid te onderbreken met een stukje fleur. Dus dat deed ik niet. Mijn huis bleef ogenloos.
Tot toen.
Ik was op bezoek bij vrienden die mijn mening over foto’s absoluut niet deelden. De muren, kasten en tafels puilden uit van lijstjes, variërend van grootse levensgebeurtenissen tot voor mij nietszeggende situaties. Nu waren ze onlangs op vakantie geweest en ik moest en zou meekijken naar alles wat ze daar schoten. Dat was prima. Ik was niet thuis dus hier was ik per definitie op mijn beste gedrag. Bovendien zouden deze ogen op zoek zijn naar de imperfecties van hun leven, niet het mijne. Ik wilde ze best die vreemde tand laten zien, maar het interesseerde ze waarschijnlijk niet.
Daar zag ik jou voor het eerst. Ze ontmoetten je op vakantie en het klikte dus vanaf een derde van het stapeltje in mijn hand, verscheen jouw gezicht ook met enige regelmaat. Een vriendelijk kuiltje in je wang, bruin haar met een simpele slag en ogen… Ogen die zo vriendelijk keken dat het me onmogelijk leek dat het kleine zwarte stipje, zo mooi in het midden geplaatst, mij ooit kwaad kon doen.
Het speet me haast toen de stapel af was. Nog nooit was ik zo graag in de gaten gehouden. Nog nooit verlangde ik zo terug naar een op papier gedrukte blik, verstopt achter een laagje glans, om mij te bekijken en in de gaten te houden.
Met een hand die tot mijn verbazing licht trilde, legde ik het stapeltje terug op tafel en glimlachte beleefd. Mijn wangen voelden echter star. Er was iets in mij ontwaakt wat ik niet kende. Een verlangen. Behoefte naar die blik, waar ik ook ging. En daarom deed ik iets waar ik me tot op de dag van vandaag voor schaam.
Toen zij nieuwe koffie voor me zette en hij naar het toilet moest, pakte ik het stapeltje en ritselde er zo snel doorheen tot ik die ene foto vond. Zon op je gezicht, één hand in je haar, nog net een stukje van de hals van je shirt zichtbaar en iets wat misschien een vingertopje van je andere hand was, maar vooral die ogen. Die warme, felle ogen. Ik stopte de foto in mijn tas, vormde het stapeltje met zijn scherpe hoekjes weer tot een net geheel en legde het terug waar ik het eerder ook plaatste.
Het is alweer een paar jaar geleden, dat ik dit deed. Je bent nu gesleten aan de randjes maar waar ik ook ben in huis, ben jij. Als ik kook sta je naast het fornuis. Als ik tv kijk, kijk jij me aan vanaf het plekje bij de kaarsen waar ik je neer heb gezet. Als ik ga slapen sta jij op mijn nachtkastje. Ik kan niet meer zonder jouw ogen, zonder jouw vriendelijke blik. Wie er ook achter wie zwarte stipjes zit en met me meekijkt, we hebben een bijzondere band opgebouwd. Je bent altijd waar ik ook ben en als ik de deur achter me dichttrek, mis ik je. Maar zelfs dan weet ik dat je wel een manier vindt om met me mee te kijken.
Misschien kijk je mee via de reclameposters in de stad. Wellicht heb je een manier gevonden om via de straatlantaarns op mij neer te kijken, waar ik ook ga. Ik voel me nooit meer alleen en dat is goed. Want ik heb jou. En jij hebt mij.
Ook al heb je geen flauw idee dat ik besta.
~* Dinsdagverhaal – Koffie *~

~* Dinsdagverhaal – Koffie *~

‘Kopje koffie?’
‘Lust ik niet.’
‘Ga weg. Iedereen lust koffie.’
‘Ik niet. Ga ik van kokhalzen.’
‘Mafkees.’
‘En paprika en tomatensoep.’
‘Iederéén lust tomatensoep!’
‘Absoluut niet.’
Een stilte en hij staarde me aan met een gespeeld achterdocht in zijn ogen. Wachtend op nieuwe rariteiten uit mijn oneindige voorraad.
‘En champignons.’ Vulde ik aan. Ik wist dat het exact was wat hij wilde horen. En hij reageerde exact zoals ik had verwacht.
‘Iederéén lust champignons!’ En een paar armen dat in de lucht werd gegooid.
‘Niet. Vieze gladde glibberdingen.’
Twee paar voeten naast elkaar tegen een tafeltje. Zon dat door het raam naar binnen scheen en de witte randjes van onze gympen oogverblindend maakte. Witte stipjes op mijn netvlies. Zelfde merk, zelfde model. Ander kleurtje. Ze zaten lekker nonchalant en dat was hoe ik ons ook wilde zien.
Het was bloedheet vandaag en gympen waren eigenlijk al te veel. Toch droeg hij een lange spijkerbroek. Wie was hier de mafkees.
‘Wat doe je dan ’s ochtends?’ Vroeg hij.
‘Wat doe ik ’s ochtends?’ Afgeleid door de broek.
‘Zonder koffie.’
‘Ik doe thee.’
Hij kijkt me iets te lang aan en schudt dan weer zijn hoofd terwijl zijn ogen afdwalen naar de oogverblindende witte stippen van onze gympen. Waren we zo allebei een beetje blind.
Het begon allemaal heel klein. Pietepeuterig en onschuldig. Je kijkt nog eens en blauwe ogen blijken bruin te zijn. Bruin haar dat toch meer blond was. Slank. Nee, toch niet. Een persoon en een gevoel dat groeit in je hoofd en langzaam wen je er aan. Je ziet nauwelijks dat die vage schim groeit tot een gedetailleerd persoon met een lach en een stem. Het is iets onschuldigs. Althans. Zo voelde het.
‘Thee dan maar?’
Zijn stem trok me terug uit de dagdroom. De toon er van verried dat het niet de eerste keer was dat hij dit vroeg. Te laat had ik door dat, mijn hoofd naar hem draaiend, hij mijn moment van geestelijke afwezigheid had gebruikt om op te staan. Ik keek niet naar zijn bekende gezicht maar maakte kennis met zijn minder bekende kruis. Snel keek ik op en knikte.
‘Lekker.’
Een dubbelzinnig antwoord na een vreemde situatie maar hij was zo vriendelijk te doen alsof hij dat niet merkte. Want zo was hij. En hij was top.
Het gaat om het groeien van de gedachte. Het is bij me. Eerst zo af en toe. Daarna ieder moment van de dag. En ik vond het niet raar, want ik raakte er aan gewend. Die constante aanwezigheid. De behoefte details op te zuigen als een onverzadigbare, menselijke spons. Het willen leren kennen van ieder streepje en ieder stukje geschiedenis. Kleine gewoontes, gevoel voor humor, liefde voor koffie.
Ik keek hem na terwijl hij naar de keuken wandelde. Hoe oud zou hij zijn? Dat voelde altijd een beetje als een vraag die je niet stelde.
‘Wat voor thee wil je?’
‘Verras me.’
Hij had meer dan één smaak in huis en stamde dus blijkbaar niet uit de periode dat Engelse thee de enige thee was. Ik nam tenminste aan, dat er zo’n periode geweest was. Het had gewoon iets interessants te bedenken wat iemand wel of niet had meegemaakt in zijn leven. Of we naar dezelfde kindertelevisie hadden gekeken. Of we buiten met hetzelfde soort speelgoed hadden gespeeld. Die kans achtte ik hier klein want ik schatte dat hij zeker 15 jaar ouder was dan ik. Niet dat hij er ouder uit zag en hij was ook niet heel grijs. Maar hij had wel rimpeltjes om vriendelijke ogen die verrieden dat hij in ieder geval niet héél erg jong meer was. Prima. Mijn theorie was dat mannen pas echt knap werden als ze de veertig naderden en daar deed hij waarschijnlijk een goede gooi naar. Leeftijd lag niet voor de hand.
Zijn uiterlijk lag dat wel. Die vriendelijke grijze ogen. Blond haar. Misschien was hij wel grijzer dan ik dacht maar viel het kleurverschil niet op in die toch al lichte collectie. Zelfs zijn hoofd had een mooie vorm. Geen bal, geen ei en geen blok beton. Gewoon een goed hoofd waar je best naar wilde kijken. En ik met mijn obsessie voor neuzen zat bij hem ook goed. Iets te lang en kaarsrecht. Precies mijn soort neus. Dat soort waar je in een kinderachtig doch lieflijk gebaar mee wil neuzen.
Conclusie, hij was knap genoeg. Knap genoeg om toch nog even om te kijken of je echt gezien had wat je zag en ja, dat zag je echt. Een lieve, zachte man met brede schouders om in te verdwijnen.
‘Alsjeblieft.’ Een kopje voor mijn neus in handen met slanke vingers. Dat was het laatste detail, beloofd.
‘Dankjewel.’ En ik pakte het aan. De stoom sloeg er af. Er moest gepraat worden maar ik wist niet zo goed waarover. Een vreemde tegenstelling. Mijn voeten op de rand van het tafeltje schreeuwde kameraadschap. De ietwat ongemakkelijke stiltes een recente ontmoeting. Ik nam een slokje van de hete thee om mezelf af te leiden en verbrandde, zoals altijd, mijn tong. Hij lachte om mijn ongeduld. Terecht.
‘Ik doe er zelf altijd koud water bij.’ Mopperde ik. Natuurlijk was ik niet echt kwaad. Maar het paste goed in het plaatje.
‘Dat zal ik onthouden.’ Beloofde Hij. ‘Is de smaak wel goed? Je leek me een kaneeltype.’
‘Absoluut een kaneeltype.’ Beaamde ik tussen het blazen in mijn kopje door. Hij had koffie. Ik kon het ruiken. De branderig geur kriebelde mijn neus en maakte mijn mond droog.
‘Stoort het je?’
‘Wat?’ Ik kijk hem aan.
Hij tilde zijn kopje even op per gebaar om zijn vraag te benadrukken. De geur van koffie, dus.
‘Oh nee hoor. Ik vind het heerlijk ruiken. De smaak is gewoon niet te doen.’
Grijnzend nam hij een slokje, natuurlijk zonder zijn tong te verbranden, en ik kon voelen dat hij me weer mafkees wilde noemen.
Waar ligt de grens? Wanneer is dat wat ik niet vreemd vind, het in de ogen van een ander wel? Wanneer ga ik me beseffen dat waar ik mee bezig is, misschien niet zo gezond is? Of beter nog. Wanneer zou ik gaan beseffen dat ik hier mee moest stoppen. Nu. Want ergens wist ik best dat het niet klopte. Dat het zich langzaam om mijn nek sloot als een niet aan te ontkomen strop. Maar hoe hard ik ook probeerde te ontsnappen uit dat opgesloten gevoel, ik wist dat het geen zin meer had. De knoop werd door mijzelf gelegd. Ik had die strop zelf om mijn nek gelegd en nu schoof ik de knoop aan. Nu ik niet meer wilde was het te laat. Ik had het in werk gezet en ik zou er niet meer aan ontkomen.
Na een tijdje in stilte gedronken te hebben keek ik op mijn horloge. Het was tijd om naar huis te gaan. De thee, inmiddels gelukkig afgekoeld, werd snel opgedronken en ik sprong van de bank.
‘Het was gezellig, maar ik moet gaan.’
‘Oke.’ Zei hij. Of het alleen was omdat ik het graag wilde zien, geen idee. Maar hij leek een beetje teleurgesteld. Hij liet me uit en gaf me bij de voordeur weer even die glimlach. Ik was vergeten dat hij kuiltjes in zijn wangen had. Met heel veel moeite streek ik er niet vluchtig over met mijn vingers maar stopten diezelfde vingers een ontsnapte krul achter mijn oor.
‘Tot ziens.’ Zei ik.
‘Tot ziens.’ Zei hij.
Hij sloot de deur en verdween achter dat dikke hout. Ik bleef nog even staan. Kon ik er maar doorheen kijken. Ik stelde me voor hoe hij terug zou lopen naar de bank. Mooi loopje. Niet te zacht en niet te arrogant. Nonchalant en zelfverzekerd met misschien een subtiele sjok. Zou hij gelijk neer ploffen op de bank of was hij het type dat eerst de kopjes zou afwassen? Zijn appartement was erg netjes.. En dan? Ging hij een boek lezen of zette hij gelijk de televisie aan? Of moest hij misschien nog wat werk afmaken.
Ik dwarrelde de trappen van het flatgebouw af, bijna huppelend. Ik had een nieuwe vriend gemaakt om toe te voegen aan mijn schaarse lijstje mensen. Die had ik niet veel, voornamelijk door mijn gebrek aan talent in het onderhouden van contacten. Maar hij leek gemakkelijk. Hij leek te snappen dat ik niet altijd in staat was iemand aandacht te geven, maar dat het dan nog steeds goed kon zijn. En zo had ik ze graag.
~* Dinsdagverhaal – Klik, blauw *~

~* Dinsdagverhaal – Klik, blauw *~

‘Timo, als je nog één keer zeikt over het gat in je shirt, steek ik hem in de fik.’ Mario geeft me een duw.
‘Het is mijn beste!’ Ik duw hem terug en struikel vervolgens zelf bijna over iets wat ik in het donker niet kan ontwaren. Zijn gierende lach snijdt door de lucht. Hij lacht me keihard uit en ik ben boos.
‘Je wist waar we heengingen, kneus.’
‘Nou,’ kaats ik weer terug, ‘wist ik veel dat je niet al een gat in het hek wist ofzo.’
‘Ik had je niet mee moeten nemen.’
Kribbig poog ik een sigaret te roken. De eerste breekt in tweeën voor ik het gekneusde lijfje aansteek. In mijn haast, toen dat kreng van een hek dus niet kapot was geknipt, frommelde ik het pakje in mijn kontzak met alle gevolgen van dien toen ik er onnadenkend op neerplofte nadat ik mijn lijf over het hek gooide. De tweede is iets beter.
Mario diept een aansteker op uit zijn jaszak en klikt. Niets meer dan dat kleine blauwe vonkje en een geërgerde zucht. Ik pak de aansteker over en probeer het zelf. Klik. Blauw. Geen vlam. Geen bevredigende sigaret om dat gat in mijn beste shirt te vergeten. Ik graai in de zak van Mario voor een tweede aansteker. Hij protesteert maar ik krijg het ding toch te pakken. Klik. Blauw. Niets. Kans voor een derde graai krijg ik niet.
‘Gast, ga weg met die stinksigaret. We hebben iets beters te doen.’
Een pets op mijn hand, de sigaret verdwijnt in het duister om mijn voeten. Eerst mijn shirt, nu mijn sigaret. ‘Dat was de laatste!’
‘Jammer dan. We zijn hier niet om te roken.’
‘Waarom zijn we überhaupt hier.’ De haal van het prikkeldraad staat nog in mijn hand. Sta ik hier vol gaten.
‘Ga naar huis als je niet wil, Timo. Oprotten.’
‘Ik zeg niet dat ik niet wil.’ Mijn wangen gloeien want eigenlijk wil ik inderdaad niet maar dat hoeft hij niet te weten. ‘Ik wil gewoon weten wat we doen.’
‘De fik moet er in. Dat had ik toch al gezegd.’
‘Ik snap niet waarom jij dat moet doen. Angelique kan toch haar broers op pad sturen. Knuppel erbij, zoals van de zomer bij de groentewinkel, toen het zo heet was.’
Zo heet. Ik vraag me af of Mario ooit een mijn gespierde armen en de lijnen van mijn rug denkt als ik aan die van hem.. Ik denk nog vaak aan hoe hij vlak voor me uit liep met ontbloot bovenlijf, armen bruiner dan de rest maar die spieren… Ik kreeg het er koud van. Koud en loeiheet tegelijk. Ik durfde het hem niet te zeggen. Snel, ander onderwerp. Automatisch grabbelen mijn handen naar het pakje sigaretten. Leeg. Ik slinger het ding weg en zoek mijn afleidingen ergens anders. ‘Wat heeft die vent gedaan?’
‘Hij heb Angelique geslagen.’
‘Angelique is een loeder.’
‘Ja, maar ze is er wel een van ons,’ mokt Mario. Graai in zijn zak. Klik. Blauw. ‘Hij moet zijn poten thuishouden. En het was ook een eikel toen ik er vorige zomer werkte. Denkt dat hij beter is als mij.’
Beter dan ik, verbeter ik hem in gedachten. Ik zeg het niet. Dan denkt hij dat ik denk dat ik beter ben dan hij is. Dat ben ik niet.
We zijn uit dezelfde klei getrokken, schoffies uit een achterbuurt en dat is hoe iedereen ons ziet. Daarom hou ik van dit soort avonden, verscholen in de schaduwen. Alleen wij en niemand die ons ziet tot de boel in de fik staat en zelfs dan zij we slechts silhouetten. Hier in het duister kunnen we zijn wat we willen, laten we de schoffies van de achterbuurt achter ons en vormen in het halfduister tot een betere versie van onszelf.
Vroeger waren we hier brandweermannen. Later werden we dokters, tandartsen en later zelfs een paar weken agenten tot we begrepen dat een carrière als dat nooit voor ons was weggelegd. Tegenwoordig zijn we vooral gewoon stil. Dan roken we normaal samen de sigaret waar hij nu zo moeilijk over doet en staren wat in de verte. Op die momenten probeer ik de moed te vinden hem te vertellen wat ik van hem vind.
Ik wilde dat hij zag wat ik zie, als ik naar hem kijk. Dat hij hier geen grote bek hoeft te hebben en we ons niet hoeven te gedragen zoals iedereen van ons verwacht. Dat we hier nu staan om iets in de fik te steken, omringd door de geur van benzine en geklik van irritante aanstekers die het maar niet doen laat ik even buiten beschouwing. In mijn ogen zijn we nog steeds niet wie we overdag zijn.
Hier vinden we niet in ieder paar ogen een oordeel wat er misschien helemaal niet is. Geen leerkracht hier die bij ieder goed cijfer overtuigd is dat we vals spelen of winkeliers die bij voorbaat denken dat we komen stelen.
‘Zullen we straks een patatje halen?’
‘He?’ Plastic gerammel van zijn hand in de jaszak alsof hij vecht met een grabbelton op de kermis. Wie heeft nou een jaszak vol aanstekers die het geen van allen doen. Klik. Blauw. Klik. Blauw. ‘Godver!’
‘Een patatje halen. Sjakie is nog wel open.’
‘Gast. Echt. Ik heb geen tijd om aan patat te denken nu. Ga als je wil oké, maar laat mij met rust.’ Klik. Blauw.
‘Sophia heeft een oogje op me.’ Waarom zeg ik dat nou. Idioot! Achterlijk idioot! Ik kan mezelf wel voor mijn kop slaan. Ik hoorde het kleine stokken van zijn ademhaling en hou mijn adem ook even in. Hij wil iets zeggen, dat weet ik. Misschien zeggen dat hij ook met mij wil en Sophia moet oprotten, elitaire trut dat ze is. Zeg het nou.
Hij zegt niets. Hand in zijn zak. Klik. Niet eens blauw. Het ding klatert door de nacht en raakt iets onzichtbaars met de klank van metaal. Hij haalt zijn hand door zijn haren. Het is ook te gek voor woorden dat ik zelfs dat geluid herken. Hij heeft het sinds kort aan de zijkant opgeschoren en het staat zo stom dat ik het lange er bovenop af wil knippen.
Hij vindt mijn haar trouwens ook stom. Het is te lang en hij zegt dat ik zo op een meisje lijk. Shit. Is dat het? Lijk ik teveel op een meisje? In een idioot moment glijdt mijn hand over mijn borst, zoekend naar bewijs van plat en natuurlijk is het plat. Ik ben een jongen. Als ik mijn hand lager laat zakken is er definitief bewijs maar je zal net zien dat de boel dan in lichterlaaie vliegt en ik een perverseling lijk die goed gaat op vuur.
‘Ga je voetballen zaterdag?’
Ik haal mijn schouders op maar dat ziet hij niet.
‘Geen tijd denk ik.’
‘Moet je weer boeken lezen.’
Weer een blos. Zelf voetbalt hij het liefste wel, maar het mag niet van z’n vader. Ik heb echt geen flauw idee waarom. Dat ik het wel mag maar het liever niet doe, werkt hem op zijn zenuwen.
‘Kom je kijken als ik wel ga voetballen?’ Want dan laat ik die boeken zó links liggen.
Een ongeïnteresseerd geluid van zijn kant. ‘Denk het niet. En kap nou met praten! Ze horen ons straks. Bek dicht.’
Ik haak mijn handen in de randjes van mijn broekzak, balend van weer een opdonder, en wordt me bewust van een kleine vorm in een van mijn zakken. Rechthoekig, bijna plat en de mogelijke afsluiter van de avond.
‘Mario.’ Ik diep het ding op en rammel het voor zijn neus.
‘Zegt ie na dertig aanstekers. Maat, ik moest je een knal geven.’ Hij steekt de eerste lucifer aan en ineens hebben we weer gezichten. Het houtje raak de grond en de bevredigende grom van vlammen grijpen zich door het veld in de richting van het veld. Ik kijk naar de grijns op zijn gezicht en ook mijn buik vliegt in de fik. We kijken in stilte, bewonderen het geknetter. Dit is het moment, voel ik. Nu ga ik het vragen.
‘Je staart.’
‘Wat?’ Het vuur in me dooft weer.
‘Je staart me aan. Ik word er raar van, doe normaal. Zure kop van je.’
‘Waarom heb je zo’n hekel aan me?’ Daar. Dat was wat ik vragen wilde. Ineens dringt het zich het gesprek weer binnen.
‘Heb ik een hekel aan je?’
‘Je zit al de hele avond op me te zeiken.’
‘Dat doe ik altijd, Timo.’
‘Niet zo.’
‘Niet?’
‘Nee. Het is net of je niet wilde dat ik meeging.’
‘Natuurlijk wilde ik niet dat je meeging, idioot.’
Maar ditmaal is de idioot zacht. Mario schopt zachtjes tegen mijn scheen. Daarna weer een lompe duw en ik val bijna in de struiken. Hij grijpt me haastig bij mijn toch al kapotte shirt, trekt me overeind en ineens is het daar. Ik adem in terwijl hij me kust. Ik hou het vast, die lucht van ons samen, alsof het niet mijn buik is die even hard in vuur en vlam staat als de muren verderop. Hij draait zich van mij af en ik draai mee. We kijken in stilte, bewonderen het geknetter. Terwijl het vuur daar groeit, groeit het in mij ook. Moet ik er wat van zeggen? Mag ik hem aanraken?
Ik laai op tot een hemelhoge razernij waar onzekerheid zich na al die tijdelijk eindelijk naar buiten klauwt. Gevoed door die ene, eerste kus die ons in het gloeien van die vormen tot iets nieuws maakt. Het loeit in mijn hoofd als de sirenes van…
‘Kut!’ Mario trekt aan mijn arm. ‘Snel, kom!’
Ik zweeg in de aanraking die nu ineens iets heel anders betekent, maar heb geen tijd er bij stil te staan. De sirenes zitten niet in mijn hoofd maar zijn zwaailichten. Geloei in de verte verraad dat het steeds dichterbij komt.
We zitten in de val. Ze komen te dicht bij en we kunnen geen kant meer op waar zij niet ook op kunnen.
‘Ga.’
Mario port me in mijn ribben. Ik blijf staan.
‘Niet zonder jou!’
‘Maat, doe niet zo dom! Ga! Als we samen gaan blijven ze ons volgen. Als ik blijf, komen ze niet achter jou aan.’
‘Nee!’
Hij kijkt me aan, zijn ogen weerspiegel de vlammen nauwelijks meer nu we er zo ver vanaf zijn, maar het gloeit nog steeds.
‘Ga.’ Nu geen duw maar een terloopse aai die meer betekent dan het lijkt. ‘Ga studeren, krijgt een baan en redt me uit dit hol.’
Nog een keer drukt hij me een vlugge kus op de mond en rent met armen zwaaiend de sirenes tegemoet. Ik duik weg achter een paar kratten die me nauwelijks verbergen terwijl ik hoor hoe de brandweerwagen richting de brand gaat maar de politie Mario tegenhoudt. Daar, achter die kratjes, ontvouwt zich voor mij een nieuwe toekomst.
Waar ik eerst nog twijfelde of studeren voor me was weggelegd, wordt het plots een levensdoel. Het begin van een droom die ik al zo lang koesterde, die vanavond ineens een stukje waarheid werd. Ik moet het niet alleen voor mij doen. Ik doe het voor ons samen…
~* Dinsdagverhaal – Gesmolten *~

~* Dinsdagverhaal – Gesmolten *~

Afwezig roerde ik met mijn vinger in het bijna overvolle glas. Het was plakkerig en er was niets voor handen om me schoon te maken, maar het verlangen naar verkoeling was sterker dan de ergernis van viezigheid. De zon brandde, hier nog meer dan op het vasteland. Waarom leek dit ons een goed plan?
Ik drukte het blokje, dat ik uit zijn borrelende omgeving had opgediept, tegen mijn borst. Het was makkelijk voor te stellen hoe dat smeltende blokje op mijn gloeiende huid in een sissende, kokende straal veranderde maar dat deed het niet. De zich losmakende druppels glibberden kort en koud hun weg naar beneden om daar vervolgens op te gaan in het zweet op mijn buik. Het doorzichtige vierkantje zelf voelde ik gelijksoortig glibberen tussen mijn vingers. Het smolt letterlijk waar ik bijstond. De vorm van mijn vingertoppen groef zich langzaam een weg naar het midden. Dit was nauwelijks de bevrediging waar ik naar zocht.
Ik stopte het blokje in mijn mond en beet. Hoe anderen daar last van hadden snapte ik niet goed, ik voelde er niets bij. Dat liet ruimte over te voelen hoe het blokje dat net nog zo koud en glibberig was, nu haast als een dik rubber tussen mijn kiezen piepte. Ik beet nog eens en hoorde het kraken op een heel andere manier dan wanneer je het ding uit de koelbox in het net ingeschonken glas gooide. Dan werd het de kleine en aanzienlijk minder dramatisch versie van brekende schotsen in natuurfilms, die zich het ijswater in stortten en de vergankelijkheid van de wereld aantoonden. Dit kleine ding kon zich daar niet aan meten.
Met mijn tong bewoog ik het stukje ijs vlug door mijn mond in een poging de verkoeling zoveel mogelijk zijn werk te laten doen. Het smolt sneller dan ik wilde en de hitte van de dag nam me weer over. Na die kortstondige verfrissing leek het nog heftiger.
De eerste druppels zweet vormden zich alweer op mijn rug. Ik stak mijn vingers weer in het glas, maar ook daar had het ijs zijn strijd tegen de zon opgegeven en smaakte de inhoud van dat glas nu weliswaar nog koel, maar meer naar een fastfoodketenversie van het origineel. Gedachteloos hing ik mijn arm over de rand van de boot en liet mijn plakkerige vingers door het water schoon strelen. Water.
In één ruk zat ik weer overeind en greep de rand van de boot vast. Alsof ik nu pas doorhad waar ik was in mijn strijd tegen verkoeling, mijn zoektocht naar verfrissing. Terwijl ik verkoos mijn vingers in de plakkerige frisdrank te steken had ik al die tijd een meer om me heen gehad. De hitte had duidelijk vat op mijn gedachtegang. Ik stond op en zonder iemand te waarschuwen of maar de moeite te nemen me om te kleden, dook ik van de rand en liet me omhelzen door het koele water. Daarom. Daarom leek het ons een goed plan.
Stille storm

Stille storm

In verdriet was de zee mijn tranen, in geluk de wind mijn vrijheid. Het glooiend gras van duinen mijn altijd wisselend humeur. Nu stonden mijn voeten eenzaam in het dikke, natte zand. Het was winter en ik voelde me vandaag niet vrij in het striemen van de wind. De zee golfde woest. Te hard om mijn tranen te zijn. Was dit waar het gebeurde?
Achter me rennen voetstapjes in de oorverdovende stilte van de storm. Ik zak neer, geen aandacht bestedend aan de vloed die mijn broek nat en zwaar maakt. Ze vraagt me door het lawaai van slaande golven of we hier voor altijd kunnen blijven. Had ik maar antwoord op het stemmetje dat me rust brengt als er geen strand is. Zeven jaar ben ik hier niet geweest. Zeven lange jaren waarin dit mensje groeide. Hoe vreemd is het je zo vrij te voelen op een plek waar je niet weg komt zonder plan. Ik schoot er rolletje na rolletje vol van huisjes op hoge palen, hun reflectie in het water. De kleine vuurtoren op zijn eilandje. Dramatische luchten, zonnestralen. Het was de plek waar ik me voor het eerst thuis voelde. Het was de plek waar ik voor het eerst verliefd werd.
Armpjes slaan om mijn nek. Ik pak de polsjes en trek het drukke lijfje stevig tegen me aan. Ik had haar graag onder andere omstandigheden voorgesteld. In beter weer waar de wind ook haar vrijheid kon zijn maar de kou van het winterstrand deert haar niet. Daar gaat ze weer, mijn vluggeling. Haar voetstapjes worden opgeslokt door het steeds sneller opkomende water. Als ik blijf zitten waar ik zit spoelt het me mee. De man die haar in de verte optilt, rondzwiert, is niet de man die haar vader moest zijn. Dat was Jan. Een simpele naam voor een spectaculaire man. Hij was zo intens. Zo alles behalve stil. Het moment dat ik hem zag was ik verkocht. Ik wilde de rest van mijn leven mijn handen door de blonde haren halen die zo verward in zijn gezicht hingen. Zijn ijzige, felblauwe ogen met lange wimpers en zijn grote glimlach. Jan was reclame voor tandpasta en kaas. Jan kwam hier vandaan. Hij kende iedereen en iedereen kende hem. Ik kende hem. Ik bleef voor hem. We liepen dagen achtereen over het eiland, de stranden langs tot we niet verder konden en dan toch. Hij was de man bij wie ik altijd wilde blijven en nog meer toen in de bloei van ons wilde leven een derde zich aan ons avontuur toe zou voegen. Ik was bereid het wilde los te laten voor het wurmpje dat in mij groeide. Jan wilde dat ik de ongeremde meid bleef die met hem in het hoge gras sliep, door de golven rende en vrij was in de wind. Ik wilde moeder zijn, zei ik. Hij werd geen vader, zei hij.
Zo stond ik weer op de boot en keek toe hoe het strand, mijn thuis, mijn verdriet werd. Zelfs al wilde mijn hart terug naar koude winters met woeste golven, mijn hoofd wilde het niet. Het kind kwam. De man die haar vader werd kwam. We vonden rust en stilte en vrijheid zonder zilte wind. Toen, een witte envelop met een zwarte rand. Jan, dood. Gevonden op het strand waar we zo van hielden. Als ik haar ooit wilde voorstellen aan haar vader, wild en ongeremd en zo haar evenbeeld, was die kans nu bekeken. Het was geen keuze meer. Het was er níet.
‘Wil je alleen zijn?’ De man die kwam na Jan. Hij komt naast me zitten. Nog een natte kont. Het kleine ding kruipt onder mijn arm door en nestelt zich op schoot voor een volle drie seconden. Is ze echt al zeven? Ze was toen de reden dat ik ging, nu de reden dat ik er weer van houd. Daar gaat ze, kind van de vader die ze nooit zal kennen. Ik kijk hoe ze met haar wantjes de kou trotseert. Een klein zout-watermeermin. Ze slaat door de golven, rent met de branding mee, gilt van plezier als het koude water haar doorweekt.
‘Zou je hier willen wonen?’ De woorden verlaten mijn lippen voor ik er erg in heb. Hij kust mijn haar, rust zijn wang op mijn hoofd. De kalmte. De stilte. Mijn stille storm. Hij past precies bij mijn winterstrand met zwart haar, donkere ogen. Tanden die niet bij een reclame passen en dat is goed. Hij is mijn standsmens. De man die geeft antwoord geeft want dat hoeft niet. De man die snapt dat in mijn vraag het antwoord huist. De man die niet Jan is.
Littekens

Littekens

De oorlog vroeg veel van ons allen. Ribben uit het lijf gerukt, tranen uit ogen. Zelfs al was er niemand verloren in de rechte lijn van familie of vrienden was er altijd een naam welke in voorbijgaan nooit meer in tegenwoordige tijd werd genoemd. Bij ons was er die lege stoel aan tafel en ondanks dat we wisten dat het ooit weer gevuld zou worden, nog niet vandaag.
Er werd gezegd dat iemand twee keer stierf. De eerste keer bij het daadwerkelijk overlijden. De tweede keer als de naam nooit meer uitgesproken werd. We wilden niet dat zijn laatste dood in onze handen lag maar we konden niet anders. Ooit zou zijn naam uit onze mond vloeien maar ook dat was nog niet vandaag. De pijn was te vers. We zagen het in elkaars ogen. Een donkere schaduw die over de dagelijkse drukte vloog. Hij was bij ons in geest en gedachten. Niet in de zonnestralen die hij vroeger bracht maar in een duisternis die ons door de ziel sneed. Hartzeer wat wij niet bespraken.
Uiteindelijk kwam de zomer. De kermis. Het was een eerste vrije dag sinds lange tijd en in een parade van opgewekt gekwebbel knarsten onze zolen op het grindpad langs de bomen. Hand in hand liepen zij die elkaar deze winter het hof hadden gemaakt. Opgewonden giechelend liepen zij die hoopten vandaag een lief te ontmoeten. Er was weer zon in ons. We wilden weer. Het leven lokte ons met spelletjes en drank, schalen vol hapjes en ongeremd enthousiasme. We stonden met schoenen in ochtendgras dat het versleten leer met haar dauwdruppels omarmde. De geur van de zon bracht ons een vrede die we lang hadden gemist. Het was slechts een fractie van een seconde maar voor wie het vanuit een hogere macht kon zien, spreidde het zich als een warme deken over het veld. In die ene seconde liet het verdriet al onze gedachten los. Slechts die éne seconde kondigde aan dat wij spoedig weer zijn naam in warme herinnering uit zouden spreken. Dit was het korte moment dat wij daarvoor nodig hadden. We hadden het niet door. We konden niet in elkaars gedachten kijken maar het was daar en het was welkom. Zonder het te weten waren we hem vergeten. Na dat korte moment, bij het besef dat we niet aan hem dachten, hadden we een donderslag verwacht. Een straf voor ons vergeten. Dat kwam niet. Heel voorzichtig als een zonsopkomst die over het veld gleed zagen we van gezicht op gezicht een glimlach ontwaken en in onze gedachten ontvouwde zich hetzelfde gevoel. Het mocht. Hij had het ons gegund.