~* Dinsdagverhaal – De smaak van as op water *~

~* Dinsdagverhaal – De smaak van as op water *~

Hijgend klauwde hij zich een weg naar buiten uit de zinderende massa. Zijn longen brandden, zijn mond was overgenomen door een wolk van grijs. Er daalde dikke druppels op hem neer van wat er ook nog boven hem was, vergaan maar geblust. Het deed hels zeer op zijn hete huid.
Handen grepen zijn gebutste armen en trokken. Zijn been bleef steken achter iets zwaars, iets scherps. Hij schreeuwde het uit, kwam los en viel op de grond. De lucht boven hem was een afwisselende vlek van fel licht en dikke rookwolken. Nog meer handen, kundig en voorzichtig. Er was onverwachte koelde waar de gescheurde kleding van zijn lichaam werd genomen, prikken waar wonden werden verzorgd. Zijn hoofd bonsde, de wereld om hem heen was nog nooit zo onscherp geweest. Zijn lippen vormden zich tot klankloze woorden. Enkel een rauwe rasp, een volgend hijgen ontsnapte zijn lichaam. Met het laatste beetje kracht dat hij leek te hebben probeerde hij overeind te komen. Handen, teder maar dwingend, duwden hem terug terwijl de nog steeds kundige over zijn lichaam gleden.
‘Clau… Claudia.’
Was dat zijn stem die hij hoorde? Dat raspende, alsof ook daar de as hem overnam?
‘Claudia!’ Weer probeerde hij overeind te komen en weer werd hij terug gedrukt. Het ritueel herhaalde zich nog een aantal maal tot hij geen puf meer vond in zijn met zwart bespikkelde lichaam. Het duizelde hem. Hij wilde slapen, maar hij wilde ook wakker blijven tot hij ze gevonden had.
Plots leken ze klaar met hem. Hij werd overeind gezet. Hij werd verplaatst en gestut tegen een busje toen bleek dat hij niet op eigen krachten overeind bleef zitten. Hij was in een deken gewikkeld. Zijn keel brandde nog steeds maar hoesten lukte niet. Zijn tong voelde walgelijk.
Het water dat ze voorzichtig in zijn mond goten droeg de smaak van as, evenals het brood dat ze hem in de handen drukte. Toch kauwde hij, dronk hij, slikte hij. Het ging ijselijk langzaam. Iedere hap kostte hem minuten. Zijn kaken waren zo zwaar. Zo moe. En tegelijkertijd had hij zo’n vreselijke dorst. Dus at hij. En dronk hij. Zo lang dat duurde.
In een helder moment tussen het bonzen in zijn hoofd, kwam het besef dat de as op zijn tong niet enkel dat van hout en behang was. Van vergane meubels en herinneringen. Zij die niet gevonden waren, wiens verkoolde lichamen zich mengden in het grijs dat door de lucht zwierde in de slierten van rook, plakten hier op zijn lichaam en zijn handen. Ze zwierven in zijn longen. Had hij ze samen met het water en brood doorgeslikt? Hij kokhalsde. Nog eens. Het weinige water en brood dat hij binnen had gekregen, vond weer een weg naar buiten. Ook dat, grijs. Grauw. Overgenomen door de puinhoop om hem heen.
‘Claudia.’
Hij kokhalsde nog eens. Spuugde. De vingers van zijn trillende hand grepen naar afwisselend naar zijn keel en het uitgekotste hoopje op de grond.
‘Claudia!’
Hij greep er in, alsof hij daarmee de illusie kon wekken dat van alles wat verbrandde en tot as vervloog, hen niet had meegenomen. Nogmaals kokhalsde hij. De ijzige paniek die zich in hem naar boven werkte, was zoveel heviger dan toen hij niet lang geleden de auto parkeerde aan het einde van de straat, tegengehouden door mannen in uniform. Het viel hem zwaarder dan die ellenlange weg naar het huis toen hij onder armen door glipte en zijn weg door de massa toeschouwers baande. Het was heviger, kouder dan wat hij voelde toen hij langs iedereen heen naar binnenrende, de oorverdovende vlammen trotserend. Nee. Hier, het zwart op zijn tong en het brood op de grond, het besef dat hij wellicht doorslikte wat hij wilde redden, liet hem duizelen. Misselijk was niet eens meer het juiste woord. Hij voelde… Hij was…
‘Claudia…’

Reacties zijn gesloten.